1Noach was een oude man met vriendelijke ogen en een grijze baard, en hij luisterde graag naar de stille stem van God. Op een ochtend sprak God tot Noach in het ruisen van de wind
2. "Bouw een grote ark," leek de stem te zeggen, "sterk en breed en hoog." Noach pakte zijn hamer en begon. Hij werkte onder de brandende zon en de koele sterren
3. Toen kwamen de dieren, twee aan twee. Grote giraffen vouwden hun lange nekken door de deur. Rommende olifanten liepen zachtjes de loopplank op
4. Vogels van alle kleuren nestelden zich in de dakbalken. Noach keek hoe ze allemaal binnenkwamen, en hij glimlachte zijn warme, gerimpelde glimlach. De regen begon
5. De ark deinde zachtjes, als een wieg die op de zee schommelt. Vele dagen en vele nachten wachtte Noach. Hij keek door het kleine raampje terwijl het grijze water zich in alle richtingen uitstrekte
6. Ten slotte liet Noach een kleine witte duif los. Ze sloeg haar witte vleugels en verdween in de bleke lucht
7. In haar snavel droeg ze één vers groen olijfblaadje. Noach hield het blaadje omhoog en draaide het langzaam in het licht. Zacht en echt en groen — het mooiste kleine ding dat hij ooit had gezien
8. Land was dichtbij. Het leven groeide weer. Het water trok zich terug en de ark rustte op vaste grond. Noach opende de grote deur wijd
9. Over de hele hemel, van het ene einde van de aarde tot het andere, strekte zich een grote stralende regenboog uit — rood en oranje en geel en groen en blauw en violet tegelijk
10. Het was Gods belofte, helder en onbreekbaar, opgehangen aan de hemel voor Noach en elk schepsel om te zien, nu en altijd.
