1Lang, lang geleden, onder een wijd en eindeloos uitgestrekte hemel, leefde een vriendelijke man die Noach heette. Noach had een groot hart, sterke handen en een gezin waar hij van hield met alles wat hij had. Elke ochtend stapte Noach naar buiten, ademde de frisse lucht in en was dankbaar voor de prachtige wereld om hem heen.
2Op een stille avond, terwijl de sterren één voor één aan de hemel verschenen, hoorde Noach iets wonderlijks — een zachte, rustige stem, zo warm en zeker als zonlicht. Het was de stem van God. 'Noach,' zei de stem, 'ik heb jou nodig om iets heel bijzonders te bouwen.'
3God vertelde Noach dat hij een grote houten ark moest bouwen — een boot zo groot dat er Noachs gezin en twee van elk dier op aarde in konden. Noach luisterde aandachtig naar elk woord. Hij maakte zich geen zorgen. Hij twijfelde niet. Hij knikte gewoon en zei: 'Ik zal het doen.'
4De volgende ochtend pakte Noach zijn gereedschap. Tik, tik, tik! Zaag, zaag, zaag! Zijn zonen hielpen hem de lange houten balken te zagen. Zijn vrouw bracht koel water om te drinken. Samen werkten ze van zonsopgang tot zonsondergang, dag na dag na dag.
5Langzaam werd de ark groter en breder. De grote houten wanden rezen op als een kleine berg. De buren kwamen kijken en krabden zich op het hoofd. 'Wat is dat enorme ding?' vroegen ze.
6Maar Noach glimlachte gewoon en bleef bouwen.
7Toen gebeurde er op een stralende ochtend iets wonderlijks. De dieren begonnen aan te komen — twee aan twee, precies zoals God had beloofd. Eerst kwamen de grote grijze olifanten, hun poten zacht stampend op de loopplank, hun slurf zwaaiend als een groet. Daarna kwamen de gouden leeuwen, zij aan zij lopend met hun hoofd fier omhoog. Achter hen kwamen twee pluizige konijnen aanspringen, hun neusjes nieuwsgierig trillend. Giraffen strekten hun lange nekken door de deuropening. Zebra's klikklakten de loopplank op in hun mooiste strepen.
8Vogels van alle kleuren zwierden en zweefden de ark in. Vrolijke papegaaien, wijze uilen en twee zachte witte duiven nestelden zich zachtjes in de dakbalken. Kikkers sprongen, schildpadden sjokten, en twee kleine lieveheersbeestjes vlogen naar binnen vlak voordat de deur werd gesloten. Elk dier vond zijn plekje.
9Noachs vrouw zorgde ervoor dat elk dier eten en vers water had. Noachs zonen spreidden zacht, zoet hooi uit.
10Noach liep door de ark van voor naar achter, en toen hij alle dieren veilig zag rusten, glimlachte hij de grootste glimlach van zijn leven.
11Toen begon de regen. Eerst één druppel, dan nog een, en daarna opende de hemel zich en stroomde de regen naar beneden. In de verte rommelde de donder. De grote ark kraakte en kreunde — en toen, zachtjes, begon hij te drijven. De ark dreef! Ze waren veilig.
12Veertig dagen en veertig nachten lang viel de regen. Binnen in de ark vertelde Noach verhalen, speelden de kinderen en zakten de dieren weg in een slaperige, gezellige rust. De duif koerde zacht in de dakbalken, en 's avonds luisterde iedereen naar de regen die op het houten dak tiktakte als een zacht slaapliedje.
13Op de veertigste dag hield de regen op. Alles was stil. Noach klom naar het hoogste raam en keek naar buiten. Alles wat hij zag was water, wijd en stil en zilver, tot aan elke horizon. Hij hield zijn adem in en wachtte. Noach stuurde de witte duif door het raam naar buiten om droog land te zoeken. De duif vloog ver en breed, over het zilveren water, zoekend, zoekend, zoekend.
14Die avond vloog de kleine duif terug — en in haar snavel droeg ze een klein, fris, groen olijfblad.
15'Land!' riep Noach, en het hele gezin juichte. De dieren lieten ook hun stemmen horen — gebrul en getrompetter en gekwetter en gezang. De deur van de ark zwaaide open en elk dier stroomde naar buiten, twee aan twee, de frisse nieuwe wereld in. De aarde rook naar regen en nieuwe beginnen.
16Noach knielde op de zachte grond en dankte met zijn hele hart. En toen — o, toen — schilderde God het mooiste wat er was aan de hemel. Een grote regenboog boog zich van het ene einde van de wereld naar het andere, stralend in rood en oranje en geel en groen en blauw en violet. 'Dit is mijn belofte aan jou,' zei Gods zachte stem. 'Een belofte van zorg, van hoop en van liefde — voor jou, voor je gezin en voor elk levend wezen op aarde.' Noach keek naar de regenboog en wist in zijn hart dat deze belofte nooit, nooit zou vervagen. En dat deed ze ook nooit.


