1Bramble was het snelste konijntje van de Boterbloemenweide. Hij hipte zo snel dat zijn oren flapperden en de wind langs zijn snorharen floot. "Sneller, sneller!" was zijn lievelingszin.
2Op een ochtend stoof Bramble over de weide naar de grote eikenboom. Hij was er als eerste, natuurlijk. Maar toen zijn vriendjes aankwamen, lachten ze allemaal om iets wat hij had gemist.
3"Heb jij de vlinders bij de beek gezien?" vroeg een vriendje. "Nee," zei Bramble. "Ik hipte er zo langs." "Heb jij de kamperfoelie geroken?" vroeg een ander. "Nee," zei Bramble. "Ik ging veel te snel."
4Bramble ging in het gras zitten. Hij had de wedstrijd naar de eikenboom gewonnen, maar onderweg had hij alles gemist. Dat voelde helemaal niet als winnen.
5De volgende ochtend probeerde Bramble iets nieuws, en voor een snel konijntje was dat best moeilijk. Hij hipte langzaam. Één hopje, dan even stilstaan, dan weer een zacht hopje.
6En wat ontdekte hij! Een lieveheersbeestje met zeven kleine stipjes. Een dauwdruppel die glinsterde op een blaadje als een klein juweeltje. Een zacht plekje klaver dat rook naar groene zonneschijn.
7Zijn vriendjes haalden hem in, verbaasd. "Jij gaat vandaag zo langzaam, Bramble!" "Ik weet het," zei hij, met een grote grijns. "Ik wilde niets missen."
8Die avond rolde Bramble zich op in zijn knusse hol, zijn hartje vol vlinders en kamperfoelie en lieveheersbeestjes met zeven stipjes. Snel was leuk, dacht hij slaperig. Maar langzaam zat vol wonderen. Welterusten, Bramble. Welterusten.



