1Elke avond, als de zon oploste in oranje en de paleisdaken warm gloeidden, knielde Daniël bij zijn raam, vouwde zijn handen en bad. Dat had hij zijn hele leven gedaan, en niets — zelfs geen nieuwe, oneerlijke wet — zou hem doen stoppen.
2De raadsheren van de koning hadden gefluisterd en samengespannen. Ze schreven een regel die bepaalde dat niemand in het hele land dertig dagen lang tot iemand anders mocht bidden dan tot de koning. Ze wisten dat Daniël nooit zou gehoorzamen. En dat deed hij ook niet. Hij knielde, zoals altijd, en bad zachtjes naar de open hemel.
3Die avond werd Daniël naar de leeuwenkuil gebracht. De ingang was een wijde, donkere opening in de stenen heuvelwand. Soldaten rolden een grote steen voor de opening, en de nacht sloot Daniël volledig in.
4Binnen was het koel en rook het naar droge aarde en warm vacht. Langzaam begon Daniël de schaduwen te onderscheiden.
5Een leeuw, breed van schouders met een zachte, geelbruine manen, hief zijn amberkleurige ogen op en keek Daniël een lang, stil moment aan.
6Daniël rende niet weg. Hij vouwde zijn handen en bad, zoals hij altijd deed — zacht en gestaag, zoals een rivier blijft stromen, zelfs in het donker.
7Daniël ging rustig tussen hen zitten. De manen van de grote leeuw waren warm tegen zijn gewaad.
8Boven hem, door een spleet in de rots, was één ster zichtbaar. Daniël keek ernaar totdat zijn eigen ogen zwaar werden.
9Toen het eerste grijze ochtendlicht de kuil binnensloop, hief de grote leeuw zijn hoofd op. Daarna hoorde Daniël het: een stem buiten, bevend en hoopvol, die zijn naam riep. De grote steen kreunde en rolde weg. Koele ochtendlucht stroomde naar binnen, en gouden licht spreidde zich uit over de vloer van de kuil.
10Daniël stond langzaam op. Zijn gewaad was schoon. Zijn handen waren rustig. Hij liep naar het licht, en de grote leeuw keek hem na met kalme, amberkleurige ogen — één keer knipperend, zachtjes, terwijl de ochtend zich wijd opende.
