1Op een brede, zonnige heuvel draaide een oude stenen windmolen zijn vier houten wieken in langzame, slome rondjes. Het gras was zacht en groen, en een warme bries gleed erdoorheen als een lange, tevreden zucht.
2Sonic stond aan de voet van de windmolen, zijn rode schoenen stevig in het gras, zijn groene ogen fonkelend van een idee. "Laten we racen," zei hij, "maar eens iets anders dan normaal."
3Ze vonden vier ronde stenen en legden die op gelijke plekken langs het pad rondom de windmolen, elk een plek waar een deelnemer moest stoppen en drie volle ademhalingen wachten voor hij verder mocht.
4De wind trok aan. Tails sloot zijn ogen en voelde het langs zijn vacht strijken. Hij spreidde zijn twee staarten wijd — niet om te vliegen, maar gewoon om te voelen — en ontdekte hoe de lucht langs de oude stenen muren boog.
5Bij de eerste markeringssteen stopte Sonic. Één ademhaling. Twee. Drie. Zijn voeten wiebelden. Zijn stekels prikten. Wachten was het moeilijkste wat hij ooit had gedaan.
6Om de bocht stond ook Tails even stil. Hij keek hoe de wind tussen de wieken speelde en het hoge gras liet deinen. Hij hield zijn staarten uit voor balans en liet de lucht hem vertellen: hier hoeft niemand zich te haasten.
7"Niet te langzaam gaan," zei Sonic met een grijns. "Ik bedoel — niet sneller worden. Of —" "Ik snap wat je bedoelt," lachte Tails, en samen lachten ze onder de lange gouden schaduw.
8Ze liepen de laatste bocht zij aan zij, langs de derde en de vierde steen, geen van beiden voor of achter.
9Toen ze weer bij de startsteen kwamen, spreidde Sonic zijn witgehandschoende handen breed. "Dus — wie heeft er gewonnen?"
10Tails keek naar Sonic, daarna naar de draaiende windmolen, en ten slotte naar de wijde groene heuvel. "Vraag het me morgen nog eens," zei hij. "Ik denk dat ik nog een keer met je wil racen."
