1Lena’s slaapkamer werd in één keer donker. Het lampje klikte uit, het licht op de gang werd een dun streepje onder de deur, en opeens was alles anders. Ze trok haar deken tot aan haar kin en wachtte.
2Toen zag ze het — daar. Een zilveren streep glipte door een kier in het gordijn. Eén maanstraal, stil en bleek, lag over de vloer als een vergeten lint.
3Lena schoof één voet onder de deken vandaan en zette die precies midden in het licht. Het voelde koel aan. Het was echt.
4Ze volgde de maanstraal met haar ogen. Die reikte tot aan de houten stoel bij haar bureau, waar ze altijd haar trui overheen gooide. De trui maakte een hobbelige schaduw op de muur — lang en vreemd, als een gebogen figuur.
5Lena keek naar de trui, toen naar de schaduw, en weer terug naar de trui. Gewoon een trui. Gewoon een schaduw. Niet meer dan dat.
6De maanstraal raakte als volgende de boekenplank, gleed langs de ruggen van haar boeken, haar sneeuwbol, het kleine kleien schildpadje dat ze zelf had beschilderd. Ze zag het afgebroken oortje van de schildpad en de vlek groene glazuur. Nog steeds gewoon haar eigen schildpad.
7Achter de kastdeur ontstond een grotere schaduw, breed en heel donker. Lena’s hart sprong even. Maar de kastdeur stond open omdat ze die had opengelaten na het uitkiezen van haar pyjama. Dat herinnerde ze zich nog. De schaduw hoorde bij de deur. De deur hoorde bij haar kamer.
8Lena ademde langzaam in — tot diep onder de deken bij haar buik — en liet haar adem toen weer los. De kamer veranderde niet. Het bleef donker. Maar de maanstraal bleef ook, rustig en onveranderd, met een zilveren randje op de muur.
9Buiten hing de maan daar gewoon, net als altijd bij heldere nachten, zonder iets bijzonders te doen behalve haar licht over de wereld verspreiden. De maan keek niet naar Lena, maar de straal liet haar toch zien: de trui, de schildpad, de deur, alle bekende dingen in de vertrouwde duisternis.
10Ze stopte beide voeten weer onder haar deken. De maanstraal lag stil en geduldig over de vloer. Lena deed haar ogen dicht.



