1Het bos begon vlak achter het huisje van de houthakker, waar de dennenbomen zo hoog groeiden dat hun toppen in de wolken verdwenen. Op een heldere herfstmorgen volgden Hans en Grietje een vossenpad steeds dieper tussen de ruisende amberkleurige bladeren — en tegen de middag konden ze de bijl van de houthakker niet meer horen.
2Maar toen ze zich omdraaiden, was elk kruimeltje verdwenen. Een dikke gaai huppelde weg tussen de wortels en leek er bijzonder tevreden mee. Grietje trok haar roestroode sjaal strakker en pakte de hand van haar broer. "Dan gaan we verder," zei ze vastberaden. "Stilstaan in het midden heeft nog nooit iemand geholpen."
3Ze liepen totdat het licht honinggoud kleurde, en toen — door een opening tussen de berken — zagen ze het. Een klein huisje met muren de kleur van peperkoek, een dak belegd met wat leek op geperste marsepein, en bloembakken vol suikerwitte bloemen. De zoete geur van kaneel hing in de koude lucht als een warme knuffel.
4De volgende ochtend was Hans het erf aan het vegen, Grietje schrobde potten, en zodra een taak klaar was verscheen er een nieuwe. Telkens als ze over thuisgaan begonnen, bedacht de vrouw nog een dringende boodschap.
5"Ze wil ons hier houden," fluisterde Grietje die avond tegen Hans, terwijl de vrouw in haar stoel zat te doezelen.
6Hans dacht zorgvuldig na, zoals hij altijd deed als een probleem ontward moest worden. "Dan moeten wij slimmer zijn dan slim," fluisterde hij terug.
7"Laat me er onmiddellijk uit!" klonk de gedempte stem achter de deur. "We sturen de familie van de molenaar om u te ontgrendelen als ze door de vallei komen," riep Grietje terug, want dat was de vriendelijke en verstandige belofte — en ze meende het.
8Grietje volgde de route met één vinger. "Daar. We steken de stapstenenbrugover, volgen de rivier naar het noorden, en we zijn voor het avondeten uit de bomen."
9Ze verlieten het huisje met snelle pas, de kaart veilig weggestopt in de vest van Hans tegen zijn crèmekleurige linnen hemd. Het bos voelde nu anders — niet angstaanjagend, gewoon enorm en eerlijk. Gaaien riepen boven hen. Bladeren dwarrelden neer in de koele bries.
10Hans en Grietje keken elkaar aan in de laatste schuine streep middagzon, en toen begonnen ze allebei te rennen.
